Behandeling

Na de bevalling is het vaak niet moeilijk om een diagnose te stellen door de vele uiterlijke kenmerken van een baby met syndroom van down. Het syndroom kan ook met prenataal onderzoek makkelijk gesteld worden. Door gebruik te maken van echografie kan men de huidplooi meten tussen de 11de en de 14de week. Verschillende tests kunnen vervolgens uitwijzen of het kindje het syndroom van Down heeft.

Het Downsyndroom is niet te genezen. Wel is medisch onderzoek en deskundige medische en psychosociale begeleiding zeer belangrijk. De zorg voor mensen het syndroom is de afgelopen jaren sterk verbeterd. Ouders met jonge kinderen met het Downsyndroom kunnen terecht bij verschillende downsyndroom teams. Deze teams zijn samengesteld uit onder andere een logopedist, fysiotherapeut, kinderarts en een maatschappelijk werker. Ook kunnen de ouders en kinderen gebruik maken van programma’s die betrekking hebben op ontwikkelingsstimulering.

De levensverwachting van mensen met het syndroom is ten opzichte van vroeger flink gestegen. De kans op een goede gezondheid is groter en meer dan de helft bereikt tegenwoordig de leeftijd van 60 jaar. Mensen met het syndroom hebben wel gedurende hun hele leven ondersteuning en begeleiding nodig.